Fotografisch-chemische afvalstoffen

Afbeeldingsresultaat voor site:ilocate.nl

In haar verzoek om vergoeding van schade van 29 september 1995 had Van Vlodrop BV primair gesteld dat het appellant niet vrijstond het gevoerde beleid inzake fotografisch-chemische afvalstoffen te wijzigen. Daarnaast had Van Vlodrop BV (voor zover appellant van mening zou zijn dat de plotselinge ‘beleidsommezwaai’ wel gerechtvaardigd was) verzocht om schadeloosstelling op grond van art. 3:4 Awb. Het bezwaarschrift van 22 december 1995 en het flexplek huren maastricht beroepschrift van 13 maart 1996 noemden eveneens deze dubbele grondslag. De Afdeling begreep hieruit dat Van Vlodrop BV primair haar eis tot schadevergoeding baseerde op de haars inziens onrechtmatigheid van de beleidswijziging. Voor zover echter de gestelde beleidswijziging niet onrechtmatig was, had Van Vlodrop BV haar aanspraak op schadeloosstelling gebaseerd op het mede aan art. 3:4 Awb ten grondslag liggende beginsel dat bestuursorganen gehouden zijn onevenredige schade, toegebracht bij de behartiging van een openbaar belang, te vergoeden. De Afdeling stelde vast dat het verzoek niet was gebaseerd op art. 15.20 en 15.21 Wet flexplek huren breda milieubeheer (Wm), die een uitputtende regeling geven voor de vergoeding van schade die is veroorzaakt door de in die artikelen genoemde besluiten en wettelijke regelingen. Evenmin was het verzoek op een andere, specifieke wettelijke grondslag gebaseerd. De schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, is (ook indien dat verzoek niet op een specifieke wettelijke grondslag is gebaseerd) een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus een besluit als bedoeld in art. 1 :3 Awb. De Afdeling overwoog hiertoe het volgende. Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte beslissing van een bestuursorgaan, dat de bevoegdheid tot het nemen van die beslissing ontleent aan het publiekrecht. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 november 1996 (nr. E03.94. l 703, AB 1997/ 66) berust de bevoegdheid van een bestuursorgaan tot het nemen van een beslissing op een verzoek om vergoeding van schade, voor zover het schade betreft ten gevolge van de onrechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende flexplek huren amsterdam bevoegdheid, op het (in art. 6:162 BW en in art. 8:73 Awb tot uiting komende) algemeen geldende rechtsbeginsel, volgens welke degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig
84 3 Bestuursrecht algemeen
handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, is gehouden die aan de benadeelde te vergoeden. Dit rechtsbeginsel is publiekrechtelijk van aard indien het zijn werking doet voelen in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 1997 (inzake nr. E03.94.1886, JB 1997, 47) volgt dat de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing op een verzoek om schadevergoeding, voor zover het schade betreft die is ontstaan door de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, berust flexplek huren haarlem op het (mede aan art. 3:4 lid 2 Awb ten grondslag liggende) rechtsbeginsel van ‘égalité devant les charges publiques’ (gelijkheid voor openbare lasten). Op grond van dit beginsel zijn bestuursorganen gehouden tot compensatie van onevenredige (buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende) schade die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding.

Geef een reactie